De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam boog zich in januari 2026 over een geschil tussen een horeca franchisegever en één van haar franchisenemers met een koffie zaak in Rotterdam.
Vorderingen van de franchisegever
De franchisegever heeft een beroep gedaan op buitengerechtelijke ontbinding van de franchiseovereenkomst. De franchisegever vordert, kort gezegd, dat de franchisenemer:
– de exploitatie van de franchise koffiezaak moet staken; en
– de franchise-huurvestiging moet ontruimen met achterlaten van de inventaris,
beide op straffe van een dwangsom.
De franchisenemer verweert zich onder meer met de standpunten dat de franchisegever (a) geen spoedeisend belang heeft bij de vorderingen en (b) dat de zaak te gecompliceerd is voor een kort geding. De Voorzieningenrechter wijst de franchisenemer er op dat die verweren niet kunnen lijden tot niet-ontvankelijkheid zoals de franchisenemer kennelijk wenste, maar hooguit tot afwijzing van de vorderingen. Ook wijst de Voorzieningenrechter erop dat het geschil feitelijk en juridisch niet zo ingewikkeld en omvangrijk is als de franchisenemer doet voorkomen.
Een belangrijk aspect in deze kwestie is een discussie over het al dan niet ongeoorloofd contante betalingen accepteren doch niet verwerken in de boekhouding door de franchisenemer. De Voorzieningenrechter oordeelt onder meer dat een enkele individuele kleine cash betaling onvoldoende is om tekortkoming in de franchiseovereenkomst aan te nemen. Bij de stand van zaken met (te veel) onduidelijkheid over de omvang van de cash betalingen meent de Voorzieningenrechter niet te kunnen vaststellen wie van partijen op dit feitelijke punt gelijk heeft. De Voorzieningenrechter concludeert dat onvoldoende aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat dit buitengerechtelijke ontbinding, of het alsnog ontbinden, van de franchiseovereenkomst rechtvaardigt.
Het had anders kunnen aflopen indien de franchisegever voorafgaand aan het opstarten van het kort geding voldoende onderbouwing en bewijs zou hebben verzameld over haar aantijgingen aan het adres van de franchisenemer betreffende cash geld acceptatie zonder verwerking in de boekhouding door de franchisenemer.
In deze kort geding zaak weegt volgens de Voorzieningenrechter het belang van de franchisenemer om gedane investeringen in haar koffie vestiging terug te verdienen (en ook een zekere mate van winst te kunnen maken) en de ingrijpende (financiële) gevolgen van een (onmiddellijke) beëindiging van de franchiseovereenkomst zwaarder dan het belang van franchisegever bij toewijzing van de vorderingen.
De Voorzieningenrechter besluit dat van de franchisegever mag worden verwacht om de franchise samenwerking voort te zetten totdat het geschil zo nodig in een bodemprocedure door de rechter is beoordeeld.
Tegenvordering van de franchisenemer wordt niet behandeld wegens ontijdige indiening
Overigens lijkt de franchisenemer te hebben getracht een tegenvordering in te dienen, maar die kennelijk te laat aan de wederpartij (franchisegever) bekend te hebben gemaakt waardoor die vordering niet is behandeld in dit kort geding. Een tegenvordering moet namelijk 24 uur voorafgaand aan de zitting in kort geding worden ingediend en bekend worden gemaakt aan de wederpartij. Bij de franchisenemer is dat – naar het lijkt – niet goed gegaan, zodat alleen de vorderingen van de franchisegever door de Voorzieningenrechter in behandeling zijn genomen.
Tot slot
Deze uitspraak toont aan dat franchisenemers en franchisegevers zorgvuldig te werk moeten gaan bij het indienen van vorderingen in kort geding, alsmede de onderbouwing van hun standpunten. De vorderingen van de franchisegever werden afgewezen. De kennelijk gewenste tegenvordering van de franchisenemer is niet eens in behandeling genomen.
Het blijft ook opletten bij het tussentijds ontbinden van franchiseovereenkomsten. In kort geding leidt dat niet maar zo tot toegewezen vorderingen over staking van de exploitatie en ontruiming van de gehuurde franchisevestiging, zoals in deze kwestie het geval bleek. Heb je hier vragen over, neem dan gerust contact op met franchiseadvocaat Jorg van de Peppel.
Lees de gehele uitspraak hier:
Rechtbank Rotterdam, datum uitspraak 30-01-2026, datum publicatie 09-02-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:853

